Wat is een kansspel?

Niet elk spel waarbij deelnemers prijzen kunnen winnen is een kansspel. Dat hangt af van de invloed die de deelnemer heeft op de uitslag. Volgens artikel 1 van de Wet op de kansspelen is bepalend de vraag of de deelnemers in het algemeen overwegende invloed kunnen uitoefenen op de aanwijzing van de winnaars. Bij een loterij is dit duidelijk niet het geval; het lot beslist wie een prijs wint. Dit geldt niet alleen bij loterijen waarvoor de deelnemer een lot met een lotnummer koopt, maar bijvoorbeeld ook bij inzending van oplossingen voor een rebus of kruiswoordraadsel. In dit laatste geval verschillen de oplossingen niet van elkaar en zal er geloot moeten worden over de te winnen prijs of prijzen.

Aparte vermelding verdient ook de gedragscode promotionele kansspelen. Een promotioneel kansspel is het, bij wijze van promotie, geven van gelegenheid, om mee te dingen naar prijzen of premies, waarbij de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen. Aan de deelname mogen geen andere kosten dan communicatiekosten worden verbonden. Deze communicatiekosten bedragen per deelname maximaal € 0,60. Voor de volledige inhoud van de gedragscode promotionele kansspelen wordt verwezen naar het onderdeel ‘publicaties', rechts op deze pagina.

Volgens artikel 3van de Wet op de kansspelen kan er alléén een vergunning worden verleend indien met de opbrengst van het kansspel een goed doel wordt gediend. Overigens gelden er afzonderlijke bepalingen voor bijvoorbeeld kleine kansspelen (zoals bingo) en speelautomaten.

Het stelsel van vergunningen en bestuurlijk toezicht ingevolge de Wet op de kansspelen beoogt de burger te beschermen tegen overmatig gokgedrag en de kansspelmarkt zoveel mogelijk te kanaliseren. Met behulp van dit stelsel wordt de integriteit van de wereld van de kansspelen zo goed mogelijk bewaakt.

Er wordt gewerkt aan een algehele herziening van de Wet op de kansspelen.

bron: justitie.nl

Wettelijke regelingen


VIa van de Wet op de kansspelen
College van toezicht op de kansspelen


Artikel 33
1. Er is een College van toezicht op de kansspelen, hierna het College genoemd.
2. Het College heeft tot taak Onze Minister van Justitie en Onze ministers wie het mede aangaat, te adviseren alsmede desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op kansspelen.
3. Het College brengt binnen zes maanden na ommekomst van ieder jaar een verslag uit van zijn werkzaamheden en van de ontwikkeling van de kansspelen in Nederland. Telkens na een termijn van drie jaren wordt daarin tevens de taakvervulling van het College aan een onderzoek onderworpen. Het verslag wordt toegezonden aan de Minister van Justitie en Onze Ministers wie het mede aangaat, alsmede aan de Staten-Generaal.

Artikel 34
1. Het College wordt gehoord over het voornemen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in de artikelen 9, 14b, 16, 24, 27b, 27h en 30g van de wet, alsmede in artikel 3 van de wet voorzover de prijzen en premies gezamenlijk een grotere waarde dan 4.500.000 euro hebben.
2. Het College is belast met het toezicht op de naleving door de rechtspersonen, waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in het eerste lid, van het bepaalde bij of krachtens deze wet en van hun statuten en reglementen.
3. Met het in het tweede lid bedoelde toezicht op de naleving zijn belast de leden van het College, de secretaris en de overige medewerkers van het bureau van het College. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Instemming met de statuten en reglementen van de in het tweede lid bedoelde rechtspersonen wordt niet door Onze Minister van Justitie of een van Onze Ministers wie het mede aangaat gegeven dan nadat het College is gehoord. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De in het tweede lid bedoelde rechtspersonen zenden een afschrift van de ingevolge de verleende vergunning voorgeschreven rapportage aan het College.

Artikel 35
1. Het College bevordert overleg, coördinatie en samenwerking tussen de instellingen en personen waaraan door Onze Minister van Justitie of een van Onze Ministers wie het mede aangaat vergunning is verleend ingevolge deze wet. Het College kan daartoe deze instellingen en personen voorstellen doen.
2. In het belang van het voorkomen en tegengaan van negatieve maatschappelijke effecten kan het College, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur gegeven regels, de in het eerste lid bedoelde instellingen en personen aanbevelingen doen.

Artikel 36
1. Het College bestaat uit ten hoogste twaalf leden. De voorzitter en de overige leden worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.
2. De voorzitter en ten minste de helft van de overige leden van het College zijn onafhankelijke deskundigen. De andere leden van het College zijn ambtenaren in rijksdienst, die daarin met raadgevende stem zitting hebben.
3. Het College wordt bijgestaan door een secretaris, die wordt benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit. De secretaris heeft in de vergaderingen van het College een raadgevende stem.
4. Aan het College kan een bureau worden verbonden, dat onder leiding staat van de secretaris. De secretaris en de overige leden van het bureau zijn voor de uitoefening van hun taak uitsluitend verantwoording schuldig aan het College.
5. Leden van het College, alsmede van het daaraan verbonden bureau, mogen geen direct of indirect persoonlijk belang hebben bij de exploitatie van kansspelen.

Artikel 37
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gegeven met betrekking tot de taak, bevoegdheden en samenstelling van het College, alsmede de benoeming van de leden en de secretaris daarvan. Deze regelen hebben mede betrekking op de werkwijze en de vergoeding van de kosten van het College.

Besluit College van toezicht op de kansspelen (Stb. 1995, 595)

Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de kansspelen;
b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
c. Onze Ministers wie het mede aangaat: Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
d. het College: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in artikel 33 van de wet.

Paragraaf 2. Adviezen
Artikel 2
1. Een verzoek om advies aan het College kan worden gedaan door Onze Minister of door een van Onze Ministers wie het mede aangaat door tussenkomst van Onze Minister.
2. Het College zendt zijn adviezen aan Onze Minister en aan Onze Ministers wie het mede aangaat.

Artikel 3
1. Adviezen als bedoeld in artikel 34, eerste en derde lid, van de wet worden niet vastgesteld dan nadat de betrokken rechtspersoon in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken.
2. Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; of
b. de betrokken rechtspersoon tegen het advies naar verwachting geen bedenkingen zal hebben.

Paragraaf 3. Toezicht
Artikel 4
1. Aanwijzingen door Onze Minister of een van Onze Ministers wie het mede aangaat aan de rechtspersonen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet worden ingevolge de verleende vergunning niet gegeven dan nadat het College is gehoord.
2. Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Artikel 5
Door Onze Minister of door een van Onze Ministers wie het mede aangaat door tussenkomst van Onze Minister kan aan het College het verzoek worden gedaan een onderzoek in te stellen naar de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en van zijn statuten en reglementen door een rechtspersoon waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet.

Artikel 6
(vervallen)

Paragraaf 4. Voorstellen
Artikel 7
De ingevolge artikel 35, eerste lid, van de wet door het College vastgestelde voorstellen bevatten de vermelding tot wie zij zijn gericht. Zij worden ter kennis gebracht aan Onze Minister en aan Onze Ministers wie het mede aangaat.

Paragraaf 5. Aanbevelingen
Artikel 8
Met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens de wet en in het belang van het voorkomen en tegengaan van negatieve maatschappelijke effecten kan het College de instellingen en personen waaraan door Onze Minister of een van Onze Ministers wie het mede aangaat vergunning is verleend ingevolge de wet, aanbevelingen doen met betrekking tot:
a. de wijze van werving en reclame;
b. het waarborgen van een eerlijk en betrouwbaar spelverloop en het voorkomen van fraude en misbruik;
c. de vestiging van voor het publiek opengestelde inrichtingen waar gelegenheid wordt gegeven tot beoefening van een kansspel of waar deelnamebewijzen aan een kansspel verkrijgbaar worden gesteld, alsmede elke overige wijze waarop de deelname aan een kansspel mogelijk wordt gemaakt.

Artikel 9
1. Een aanbeveling overeenkomstig artikel 8 wordt niet vastgesteld dan nadat degene tot wie deze is gericht in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken.
2. Indien de aanbeveling is gericht tot tien of meer vergunninghouders, wordt het voornemen tot vaststelling daarvan bekend gemaakt in de Staatscourant. Vaststelling van een aanbeveling als bedoeld in de vorige volzin geschiedt niet dan nadat vier weken na die bekendmaking zijn verstreken.
3. Door het College vastgestelde aanbevelingen worden ter kennis gebracht aan Onze Minister en aan Onze Ministers wie het mede aangaat.

Artikel 10
Indien het College van oordeel is dat een overeenkomstig artikel 8 gegeven aanbeveling niet, of niet voldoende, wordt nageleefd door een instelling of persoon tot wie de aanwijzing is gericht, brengt het College daaromtrent rapport uit aan Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat.

Paragraaf 6. Samenstelling en benoeming
Artikel 11
Het College bestaat uit zeven onafhankelijke leden, te weten:
a. een lid, tevens voorzitter; en
b. zes onafhankelijke leden.

Artikel 12
De voordracht tot benoeming van de voorzitter en de overige leden van het College geschiedt door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat.

Artikel 13
De voorzitter en de overige leden van het College worden benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming is terstond mogelijk en kan tweemaal en telkens voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

Artikel 14
1. De secretaris van het College wordt benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat. De secretaris is terstond weder benoembaar. Voor de secretaris kan tevens een plaatsvervanger worden benoemd.
2. De overige leden van het bureau van het College worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.

Artikel 15
De voorzitter, de leden en de secretaris van het College kunnen te allen tijde op eigen verzoek worden ontslagen.

Artikel 16
1. De voorzitter, de leden en de secretaris van het College kunnen worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
2. Onder zwaarwegende gronden wordt mede verstaan het verkrijgen van een direct of indirect persoonlijk belang bij de exploitatie van kansspelen, alsmede het niet nakomen van de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. De voordracht tot ontslag ingevolge het eerste lid geschiedt door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat. Een daartoe strekkende voordracht geschiedt niet dan nadat de betrokkene en het College zijn gehoord.

Artikel 17
Indien Onze Minister voornemens is een voordracht te doen als bedoeld in artikel 16, derde lid, kan de voorzitter, een lid of de secretaris van het College bij koninklijk besluit worden geschorst, op voordracht van Onze Minister. Een schorsing vervalt door een tijdsverloop van dertien weken of door ontslag binnen dertien weken na de schorsing.


Paragraaf 7. Werkwijze
Artikel 18
1. Beslissingen kunnen slechts door het College worden genomen indien ten minste de helft van het aantal leden van het College aan de stemming heeft deelgenomen.
2. Beslissingen worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

Artikel 19
Van de door het College vastgestelde adviezen, voorstellen en aanbevelingen wordt mededeling gedaan door publikatie in het verslag, bedoeld in artikel 33, derde lid, van de wet. Artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20
1. Het College stelt, met toestemming van Onze Minister, een reglement van orde op, bevattende nadere regels ten aanzien van zijn werkwijze.
2. Het reglement van orde van het College bevat in ieder geval regels met betrekking tot het uit zijn midden aanwijzen van plaatsvervangende voorzitters, de openbaarheid van zijn vergaderingen en de wijze waarop door het College vastgestelde voorstellen en aanbevelingen worden bekendgemaakt.
3. Van het reglement van orde wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 21
1. Het College kan ten behoeve van zijn werkzaamheden commissies instellen.
2. De bevoegdheid tot het vaststellen van adviezen, voorstellen en aanbevelingen kan niet worden gedelegeerd of gemandateerd aan een commissie.

Artikel 22
1. Het College zendt jaarlijks vóór 1 september aan Onze Minister een bestedingsplan voor het daaropvolgende kalenderjaar met betrekking tot de aan de taakvervulling van het College verbonden uitgaven.
2. Onze Minister bekostigt de uitgaven van het College overeenkomstig het goedgekeurde bestedingsplan.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het bestedingsplan voor het kalenderjaar 1996 opgesteld door Onze Minister.

bron: toezichtkansspelen.nl